Hoofdstuk 6: De economie der woekerwinsten

Ondanks de heilige belofte van het mensdom oorlog voor eens en altijd uit te bannen; ondanks de roep van miljoenen om “nooit meer oorlog”, en ondanks de hoop op een betere toekomst heb ik dit te zeggen: indien het huidige monetaire systeem van rente, en rente-op-rente gehandhaafd blijft, voorspel ik vandaag dat er nog geen 25 jaar zullen voorbijgaan eer we een nieuwe en zelfs ergere oorlog zullen meemaken. Ik kan de komende ontwikkelingen duidelijk ontwaren. Het huidig peil van technologische vooruitgang zal snel resulteren in topprestaties van de industrie. De kapitaalopbouw zal met een rotvaart verlopen, ondanks de enorme verliezen tijdens de oorlog, en door de overvloed [van geld] zal de rente dalen [totdat geldspeculanten weigeren nóg lager te gaan]. Geld zal worden opgepot [waardoor voorspelbare deflatie wordt veroorzaakt], economische activiteiten zullen afnemen, en een toenemend aantal werklozen zal de straten bevolken…binnen deze ontevreden massa’s zullen revolutionaire ideeën ontluiken en daartussen zal zich ook de giftige plant ‘Super Nationalisme’ manifesteren. Geen land zal de ander nog begrijpen en het kan uiteindelijk alleen weer op oorlog uitlopen.

Silvio Gesell (1918)

We staan oog in oog met een paradox. Van de ene kant is geld wel degelijk een blijk van dankbaarheid en vertrouwen, een middel dat giften en behoeftes samen brengt, een verzorger van uitwisselingen tussen hen die deze anders niet zouden kunnen doen. Als zodanig kan het ons allen rijker maken. Toch doet het dat niet. In plaats daarvan bracht het ons onzekerheid, armoede, en de liquidatie van onze culturele en natuurlijke gemeenschappelijke bezittingen. Waarom?

De oorzaak van deze zaken ligt diep in de kern van ons huidige monetaire systeem. Ze zijn inherent aan de wijzen waarop geld tegenwoordig wordt gecreëerd en in omloop wordt gebracht, en het toppunt van dat systeem is woeker, beter bekend als rente. Woekerrente is de absolute tegenhanger van het geschenk, want in plaats van aan anderen te geven wanneer je meer hebt dan je nodig hebt, staat woeker voor het gebruiken van eigendom om er meer mee te vergaren -om van anderen te nemen in plaats van te geven. En, zoals we nog zullen zien, zijn de twee zowel tegenovergesteld aan de gift zowel qua effect als qua motivatie.

Het woekeren is ingebouwd in de structuur van ons tegenwoordige geld, vanaf het moment van inwerkingtreding. Geld kiemt wanneer de Federal Reserve (of de ECB of elke andere centrale bank) rentedragende waardepapieren (van oudsher staatsbonnen, maar meer recentelijk allerlei met hypotheken gesteunde waardepapieren, en ander financieel afval) op de open markt verwerft. De Fed of centrale bank creëert dat nieuwe geld uit lucht, met een pennenstreek (of druk op de computertoets). Toen de Fed in 2008 bijvoorbeeld voor 290 miljard -met hypotheken gesteunde – waardepapieren van de Deutsche Bank opkocht, gebruikte ze daar geen bestaand geld voor; ze creëerde integendeel nieuw geld en boekte het over op de rekening van Deutsche Bank. Dit is de eerste stap in geld-creatie. Wat de Fed of centrale bank ook koopt, er moet altijd rente op worden betaald. Met andere woorden, dit betekent dat het gecreëerde geld altijd door een schuld begeleid wordt, en dat die schuld altijd voor meer dan de gecreëerde som geldt.

Het geld dat hierboven beschreven staat, is bekend als de ‘monetaire basis’. Het bestaat als bankreserves (en fysieke cash). De tweede stap volgt wanneer een bank geld leent aan een bedrijf of individu. Ook hier wordt er nieuw geld gecreëerd door het op de rekening van de lener bij te schrijven. Wanneer een bank $1 miljoen leent aan een bedrijf, is het dat bedrag niet schuldig aan een andere rekening, maar brengt het dat bedrag eenvoudig tot leven. $1 miljoen aan nieuw geld werd gecreëerd -en meer dan een miljoen dollar aan schuld. (1) Dit nieuwe geld is bekend als M1 of M2 (afhankelijk van of het een betaal –of spaarrekening is). Het is geld dat uitgegeven wordt aan goederen en diensten, kapitaalgoederen, werkgelegenheid, enzovoorts.

De bovenstaande beschrijving over hoe geld wordt gecreëerd, is, hoewel breed geaccepteerd, niet volledig accuraat. Op de subtiliteiten kom ik nog terug in de bijlage. Voorlopig voldoet het om de effecten van woeker te beschrijven.

Een economische parabel

Woekerrente genereert de huidige endemische schaarste en drijft tevens de wereldverslindende motor van eeuwigdurende groei aan. Om dat nader uit te leggen, begin ik met een parabel van de buitengewone economische visionair Bernard Lietaer, getiteld: “Het elfde schijfje”, uit zijn boek The Future of Money.

Er was eens, ergens in een klein dorp in de Outback, een volk dat voor al haar transacties ruilhandel gebruikte. Op elke marktdag liepen er mensen rond met kippen, eieren, hammen en broden, en gaven zich over aan eindeloze onderhandelingen met elkaar om te krijgen waaraan ze behoefte hadden. Op belangrijke momenten in het jaar, zoals oogsttijden, of wanneer iemands schuur moest worden opgelapt na een storm, herinnerde men zich het gebruik elkaar te helpen, zoals men dat voorheen ook in het thuisland praktiseerde. Ze wisten dat, wanneer ze ooit problemen zouden hebben, anderen hen een wederdienst zouden bewijzen.

Op een zekere marktdag kwam er een vreemdeling met glimmende zwarte schoenen en elegante witte hoed voorbij die het geheel met een sardonische glimlach overzag. Toen hij een boer zag rondrennen om de zes kippen bijeen te drijven die hij wou ruilen voor een ham, kon hij niet nalaten te lachen. “Arme mensen”, zei hij, “zo primitief”. De vrouw van de boer hoorde dat en zij riep de vreemdeling ter verantwoording: “Denk je dat jij het beter zou doen met de kippen”? “Niet met de kippen”, antwoordde de vreemdeling. “Maar er bestaat een veel betere oplossing in plaats van al dit gedoe.” “Oh ja, hoe dan?” vroeg de vrouw. “Zie je die boom daar?” antwoordde de vreemdeling. “Wel, ik zal daar wachten totdat iemand mij een groot koeienvel brengt. Laat daarna iedere familie mij een bezoekje brengen. Dan leg ik de betere oplossing uit.”

En zo gebeurde het. Hij nam het koeienvel, sneed er perfect leren rondjes uit, en drukte een gedetailleerd en sierlijk stempeltje op elk schijfje. Toen gaf hij aan iedere familie 10 schijfjes en verklaarde dat elk schijfje de waarde van een kip vertegenwoordigde. “Vanaf nu kunnen jullie handelen met deze schijfjes in plaats van met onhandelbare kippen,” legde hij uit.

Het leek logisch. Iedereen was onder de indruk van de vreemdeling met de glimmende schoenen en de inspirerende hoed.

Oh, en voordat ik het vergeet”, zei hij nadat iedere familie de 10 schijfjes in ontvangst had genomen, “over precies een jaar keer ik terug onder dezelfde boom. Ik wil dat jullie me dan elk 11 schijfjes teruggeven. Dat elfde schijfje dient als blijk van waardering voor de technologische verbetering die ik in jullie levens introduceerde.” “Maar waar halen we dat elfde schijfje vandaan?” vroeg de boer van de zes kippen. “Daar kom je wel achter,” zei de man met een geruststellende glimlach.

Er van uitgaand dat het bevolkingsaantal en de jaarlijkse productie gedurende het daarop volgend jaar onveranderd zou blijven, wat denk je dat er te gebeuren stond? Vergeet niet dat het elfde schijfje nooit gemaakt was. Daarom, en dat is het uiteindelijke gevolg, moet 1 van elke 11 families al zijn schijfjes opgeven, zelfs al eenieder zijn zaakjes goed in orde had, zodat het elfde schijfje aan 10 anderen kon worden gegeven.

Dus toen een storm de gewassen van één der families bedreigde, waren mensen minder geneigd hun tijd op te offeren om de gewassen op tijd binnen te brengen en ze voor een ramp te behoeden. Al was het tijdens marktdagen makkelijker om met schijfjes in plaats van kippen te handelen, het nieuwe spel had wel als onbedoeld neveneffect dat het actief de spontane samenwerking ontmoedigde, die traditie was in het dorp. In plaats daarvan genereerde het nieuwe geldspel een systematische onderstroom van competitie tussen alle deelnemers.

Deze parabel illustreert hoe wedijver, onzekerheid en hebzucht met onze economie verweven raakten door rente. Ze zullen niet worden uitgeschakeld, zolang de waarde van levensbehoeften wordt uitgedrukt in rentegeld. Maar laat ons het verhaal vervolgen en aantonen hoe rente óók de druk op een nooit aflatende economische groei blijft opvoeren.

Er zijn drie hoofdrichtingen waar Lietaers’ verhaal in kan uitlopen: in gebreke blijven, groei van geldtoevoer, of herverdeling van rijkdom. Één op elke elf families kan bankroet gaan en hun boerderijen afstaan aan de man met de hoed (de bankier), óf hij kan een nieuw koeienvel verstrekken en meer valuta scheppen, óf de dorpelingen kunnen de bankier met pek en veren insmeren en weigeren de schijfjes terug te betalen. Deze zelfde opties heeft elke economie die gebaseerd is op woekerrente.

Dus stel je nu voor dat de dorpelingen zich rond de man met de hoed verzamelen en hem vragen: “Meneer, kunt u ons alstublieft nog meer schijfjes geven, zodat niemand bankroet hoeft te gaan?”

De man zegt: “Dat is goed, maar alleen aan hen die me verzekeren kunnen dat ze me gaan terugbetalen. Aangezien elk schijfje een kip waard is, zal ik nieuwe lenen aan diegenen die meer kippen hebben dan het aantal schijfjes die ze me al schuldig zijn. Als ze me dan niet de rondjes teruggeven die ze schuldig zijn, kan ik daarvoor beslag op hun kippen leggen. Oh, en omdat ik zo’n aardige vent ben, zal ik zelfs nieuwe schijfjes maken voor mensen die op dit moment nog niet over extra kippen beschikken, áls ze me kunnen overtuigen dat die er in de toekomst wel zullen komen. Dus laat me uw plan van aanpak maar eens zien! Bewijs me dat u vertrouwenswaardig bent (één van de dorpelingen zou rapporten over kredietwaardigheid kunnen opstellen, om u daarbij te helpen). Ik beleen aan tien procent, dus als je een slimme kippenfokker bent en per jaar twintig procent meer kippen fokt, kun je me terugbetalen en er zelf ook rijk van worden.”

De dorpelingen reageren: “Dat klinkt goed maar aangezien je de nieuwe schijfjes ook weer aan tien procent uitgeeft, zal er op het eind nog steeds niet genoeg overblijven om je terug te betalen.”

Daar voorzie ik geen problemen”, zegt de man. Want zie je, wanneer dat moment daar is, zal ik weer nieuwe schijfjes gemaakt hebben, en wanneer jullie me die weer verschuldigd zijn, maak ik er gewoon weer meer. Ik zal altijd welwillend nieuwe schijfjes uitlenen. Natuurlijk moeten jullie wel steeds meer kippen fokken, maar zolang dat gebeurt, voorzie ik nooit geen problemen.”

Een kind loopt op hem toe en zegt: “Excuseer mij meneer, mijn familie is ziek en we hebben niet genoeg schijfjes om eten te kopen. Kunt u mij wat nieuwe schijfjes geven?”

Het spijt me,” zegt de man, “maar dat kan ik niet doen. Want zie je, ik kan alleen maar schijfjes geven aan hen die me terug betalen. Maar als je familie nog kippen heeft die als onderpand kunnen dienen, of wanneer je kunt bewijzen dat je iets harder kunt werken om meer kippen te fokken, dan geef ik je die schijfjes graag.

Op enkele onfortuinlijke uitzonderingen na, werkte het systeem een tijdlang prima. De dorpelingen lieten hun kippenbevolking gestaag toenemen om de benodigde aanvullende schijfjes te verkrijgen waarmee ze de man met de hoed konden betalen. Enkelen gingen, om welke reden dan ook -door ongeluk of incompetentie- inderdaad bankroet, en hun meer fortuinlijke, efficiëntere buren, namen hun boerderijen over en namen hen in dienst als personeel. Maar door de bank genomen groeide de kippenschare een jaar lang met 10 procent, paralel aan de geldtoevoer. Het dorp met zijn kippen was zó gegroeid dat de man met de hoed al snel werd bijgestaan door velen net als hem; allen naarstig rondjes knippend om iedereen met een goed plan om meer kippen te fokken van dienst te zijn.

Van tijd tot tijd ontstonden er problemen. Met name omdat het duidelijk werd dat eigenlijk niemand zoveel kippen nodig had. “De eieren komen ons de neus uit,” klaagden de kinderen. “In elke kamer van het huis staat tegenwoordig een donsveren bed,” klaagden de huisvrouwen. Om de consumptie van kipproducten groeiende te houden, bedachten de dorpelingen allerlei voorzieningen. Het werd mode om elke maand een nieuw donsveren matras aan te schaffen, en grotere huizen om ze in onder te brengen, en om erf na erf te bevolken met kippen. Geschillen die met andere dorpen ontstonden, werden beslecht tijdens gigantische eierengevechten. “We moeten een grotere vraag naar kippen creëren!” schreeuwde de burgemeester, die de zwager van de man met de hoed was. “Op die manier zullen we allemaal steeds rijker worden.”

Op een dag ontdekte een van de dorpsoudsten nog een ander probleem: waren de velden rondom het dorp aanvankelijk nog groen en vruchtbaar, nu waren ze bruin en vies. Alle vegetatie was weggehaald om plaats te maken voor graan om de kippen mee te voederen. De vijvers en stroompjes, ooit vol met vis, waren nu gierputten vol stinkende mest. Ze zei: “Dit moet stoppen! Als we onze kippenpopulatie maar laten groeien, verzuipen we binnenkort in de kippenstront!”

De man met de hoed nam haar terzijde en sprak tot haar met een geruststellende stem: “Wees niet bezorgd, er bevindt zich een ander dorp dichtbij, met voldoende vruchtbare akkers. De mannen van ons dorp zijn van plan ook dáár kippen te houden. En als de bewoners het er niet mee eens zijn… tja, wíj hebben de overmacht. Trouwens, je kunt toch niet serieus zijn over het stoppen van de groei. Want hoe zouden je buren dan hun schulden moeten betalen? Hoe zou ik dan nieuwe schijfjes kunnen bijmaken? Zelfs ík zou dan bankroet gaan.”

En dus verwerden alle dorpen, één voor één, tot stinkende gierputten rondom eindeloze scharen kippen die niemand echt nodig had, en bevochten de dorpen elkaar om de laatste groene velden die nog enkele jaren van groei konden verdragen. Maar ondanks alle pogingen de groei op peil te houden, begon het tempo te verslappen. En terwijl de groei stagneerde, steeg de schuld in verhouding tot het inkomen, totdat velen alle hun nog beschikbare schijfjes gebruikten om de man met de hoed af te betalen. Velen gingen bankroet en moesten voor een minimum aan de slag bij werkgevers die zelf moeite hadden hun verplichtingen aan de man met de hoed na te komen. Er waren steeds minder mensen die kipproducten konden betalen, waardoor het steeds moeilijker werd om aan de groeivraag te voldoen. Temidden van die overvloed aan kippen, die een nekslag voor het milieu betekende, waren steeds meer mensen die nauwelijks konden rondkomen, hetgeen leidde tot de paradox van schaarste in een wereld van overvloed.

En daar zijn we heden aanbeland.

De dwang tot groei

Ik hoop dat duidelijk is hoe dit verhaal zich met de echte economie laat vergelijken. Dankzij rente is het bedrag dat verschuldigd is altijd hoger dan het geld dat in omloop is. Om nieuw geld te kunnen maken opdat het hele systeem blijft functioneren, moeten we meer kippen fokken -met andere woorden, moeten we meer ‘goederen en diensten’ creëren. De belangrijkste manier om dit voor elkaar te krijgen, is door iets beginnen te verkopen wat voordien gratis was. Van bossen naar hout, van muziek naar product, van ideeën naar intellectueel bezit, van maatschappelijke wisselwerking naar betaalde diensten.

Bijgestaan door technologie is de vercommercialisering van voorheen niet-monetaire goederen en diensten de laatste eeuwen toegenomen, tot het punt van heden waarop nog maar zeer weinig buiten het rijk van geld is gebleven. Het uitgestrekte gemenebest, zowel land als cultuur, is inmiddels afgezet en verkocht -dat alles om gelijke tred te houden met de exponentiële groei van geld. Dit is de diepere reden waarom we bossen in hout omzetten, liedjes in intellectueel bezit, enzovoorts. Het is de reden waarom tweederde van alle Amerikaanse maaltijden buitenshuis gemaakt worden. Het is de reden waarom plantaardige huis-tuin-en keukenmiddeltjes plaats maakten voor farmaceutische medicijnen, waarom kinderopvang een betaalde dienst is, waarom flessenwater de verkoopcijfers van andere drankjes voorbijstreeft.

Het onvermijdelijke van eindeloze groei, behorend bij op rente gebaseerd geld, is de genadeloze motor achter de omvorming van leven, wereld en geest in geld. Als je de vicieuze cirkel doortrekt zie je dat hoe meer we uit ons leven omzetten in geld, hoe meer geld we nodig hebben om te leven. Woekerrente, niet geld, is de spreekwoordelijke wortel van al het kwaad.

Laten we dit eens van iets dichter bij onderzoeken. Net zoals de man met de hoed zal een bank of andere lener je alleen geld lenen wanneer er een redelijke aanname is dat je het terug zult betalen. Die verwachting kan gebaseerd zijn op toekomstige inkomsten, een onderpand, of een gunstige kredietwaardigheidnotering. Ernstige gevolgen wanneer er in gebreke wordt gebleven, dwingen deze verwachting af. Het terugbetalen van een schuld hangt niet alleen af van in de gelegenheid zijn, maar ook van verschillende vormen van sociale, economische en juridische druk. Rechtbanken kunnen inbeslagneming van bezittingen bevelen om contractuele schuldvoorwaarden na te leven, en, al bestaan er geen speciale gevangenissen meer voor schuldenaars (2), toch kunnen deurwaarders het hen behoorlijk moeilijk maken door hen te hinderen de woning of werk te betreden of kunnen veiligheidsmachtigingen worden geweigerd. Velen voelen ook een morele verplichting om schulden in te lossen. Dat is normaal: ook in schenk-economieën voelen zij die ontvingen een maatschappelijke en morele druk om te geven.

Het geld om zowel het geleende bedrag als de rente te kunnen betalen, komt van de verkoop van goederen of diensten, of mogelijk ook van nog meer lenen. Elke keer wanneer je geld gebruikt, zeg je eigenlijk: “Ik verrichte een dienst of leverde iets met een vergelijkbare waarde als welke ik nu koop.” Telkens wanneer je geld leent, zeg je een vergelijkbaar iets of vergelijkbare dienst in de toekomst te leveren. Theoretisch gezien zou dit voor iedereen voordelig zijn want het staat de uitwisseling van geschenken en behoeften toe, niet alleen over de grenzen van ruimte en beroep, maar ook over de grenzen van tijd. Op krediet gebaseerd geld wisselt goederen van nu in voor goederen in de toekomst. Dit is niet in strijd met de principes van een schenkeconomie. Ik ontvang nu en geef later terug.

De problemen ontstaan door rente. Omdat rentedragende schuld al het nieuwe geld begeleidt, zal het bedrag aan schuld altijd het bedrag aan bestaand geld overtreffen. Het tekort aan geld dwingt ons met elkaar te wedijveren en geeft ons een constant gevoel van ingebouwde schaarste. Het is als een stoelendans met nooit genoeg plaatsen om je zeker te voelen. Schuldendruk is endemisch voor het systeem. Terwijl sommigen hun schulden af weten te betalen, vereist het systeem een algemene en toenemende schuldenlast.

Constante, onderliggende schuldendruk betekent dat er altijd onzekere en wanhopige mensen genoeg zijn die door hun gevecht om te overleven bereid zijn het laatste woud om te kappen, de laatste vis te vangen, iemand een gympie te verkopen of welk overgebleven sociaal, natuurlijk, cultureel of spiritueel kapitaalgoed dan ook te gelde te maken. Het is niet mogelijk dat we ooit ‘genoeg’ vergaren, want in een op rente gebaseerd schuldensysteem vervangt de uitwisseling van krediet niet simpelweg ‘goederen van nu’ voor ‘goederen in de toekomst’, maar ‘goederen van nu voor méér goederen in de toekomst. Om schulden af te betalen of zelfs gewoon maar te kunnen leven, neem je óf bestaande rijkdom af van iemand anders (dus concurreer je), óf je creëert ‘nieuwe’ rijkdom door het aan de gemeenschap te onttrekken.

Hier een concreet voorbeeld om te illustreren hoe dit werkt: stel je gaat naar de bank en zegt: “Meneer Bankier, ik wil een miljoen dollar lenen om dit woud van ontbossing te redden. Ik zal geen inkomen uit dit woud genereren, dus kan ik ook geen rente betalen. Maar indien u het geld terug zou willen hebben, kan ik het woud weer verkopen en u het miljoen weer terug betalen.” Jammer genoeg zal de bankier je verzoek moeten afwijzen, zelfs als hij sympathie heeft voor het voorstel. Maar als je naar de bank gaat en zegt: “Ik had graag een miljoen dollar om dit woud te kopen, er bulldozers mee te leasen, het woud leeg te kappen en het hout voor twee miljoen dollar te verkopen, waarover ik u 12 procent rente zal betalen en waaruit ik ook voor mezelf een aardige winst zal overhouden”, dan zal een slimme bankier zo’n verzoek wel honoreren. In het eerste geval worden er geen nieuwe goederen of diensten gecreëerd en wordt dus geen geld beschikbaar gesteld. Geld is bedoeld voor mensen die nieuwe goederen en diensten creëren. Daarom is er veel betaald werk beschikbaar in het doen van dingen die medeplichtig zijn in het omzetten van natuurlijk en sociaal kapitaal naar geld, en is er maar weinig werk in het terugwinnen van gemeenschappelijke bezittingen en het beschermen van natuurlijke en culturele schatten.

Algemeen gesteld is de niet aflatende druk op schuldenaars om goederen en diensten te leveren een natuurlijke druk richting economische groei (omschreven als groei van het totaal aan goederen en diensten dat werd uitgewisseld tegen geld). Hier is een andere manier om daar naar te kijken: omdat er altijd meer schuld als beschikbaar geld is, vormt de schepping van geld weer een toekomstige behoefte naar méér geld. De hoeveelheid geld moet met het verlopen van de tijd blijven toenemen; nieuw geld gaat naar hen die goederen en diensten produceren; daarom moet het volume van goederen en diensten met het verlopen van de tijd eveneens groeien.

Dus het is niet alleen de kennelijke ongelimiteerdheid van geld, dat zichtbaar is vanaf de oude Griekse tijden, dat ons toestaat te geloven in de mogelijkheid van eeuwige groei. Sterker nog: ons monetair systeem vereist die groei. De meeste economen vinden deze endemische druk tot groei een goed ding. Ze zeggen dat het aanspoort tot verbeteringen, vooruitgang stimuleert en het aan steeds meer behoeften efficiënter tegemoet komt. Een op rente gebaseerde economie is in de grond en altijd een groei-economie, en -zeer radicale randfenomenen uitzonderd- zien de meeste economen en waarschijnlijk alle beleidsvoerders economische groei als een uiting van succes.

Het hele systeem van rentedragend geld werkt prima zolang het volume van goederen en diensten, ingewisseld tegen geld, het tempo van de groei bijhoudt. Maar wat gebeurt er wanneer dat niet zo is? Wat, met andere woorden, gebeurt er wanneer het tempo van de economische groei lager uitpakt dan de hoogte van de rente? Net als de mensen in de parabel moeten wij, die lijken te reiken naar de grenzen van groei, die mogelijkheid in overweging nemen.

De concentratie van rijkdom

Omdat de economische groei vrijwel altijd lager is dan de rentekoers, is wat er in dat soort omstandigheden gebeurt niet echt een mysterie. Wanneer schuldenaars er niet in slagen de rente af te betalen van de rijkdom die ze vergaren, moeten ze meer en meer van hun bestaand bezit aanspreken en/of een groter deel van hun bestaand en toekomstig bezit in onderpand geven om hun schuldeisers tegemoet te komen. Wanneer eigendommen en vrij beschikbaar inkomen zijn uitgeput, moeten ze in gebreke blijven. Dat kan ook niet anders, wanneer de gemiddelde opbrengst per investering lager ligt dan de gemiddelde rente die moet worden betaald om investeringskapitaal te verkrijgen. Ingebrekestelling is voor een bepaald deel van geldleners onvermijdelijk.

Ingebrekestellingen zijn, tenminste in theorie, niet persé iets slechts: het zijn de negatieve consequenties van beslissingen die het algemeen belang niet dienen, of beter gezegd, die niet resulteren in de efficiëntere productie van goederen die mensen willen. Kredietverstrekkers zullen voorzichtig zijn geld aan iemand te lenen die niet echt aan de economie bijdraagt en leners zullen zich verplicht voelen om te laten zien dat ze wel degelijk een bijdrage aan de economie leveren. Zelfs in een nul-procent rentesysteem kunnen mensen in gebreke blijven wanneer ze bijvoorbeeld domme beslissingen nemen, maar dan zou er geen natuurlijk ingebouwd mechanisme nodig zijn die ingebrekestellingen vereist.

Afgezien van economen is niemand blij met ingebrekestellingen, zeker kredietverschaffers niet, want het is hun geld dat verdwijnt. Één manier om dat te voorkomen is de schuldenaar nog meer geld te lenen, zodat die zijn oorspronkelijke lening kan aflossen. Dit kan worden gerechtvaardigd wanneer de schuldenaar slechts tijdelijke problemen ondervindt of wanneer er reden is om aan te nemen dat er genoeg productiviteit in het verschiet ligt waarmee de schulden kunnen worden afbetaald. Maar vaak genoeg zullen kredietverstrekkers geld blijven bijpompen opdat ze op papier geen verliezen zullen moeten incasseren, iets waardoor ze zelf bankroet zouden kunnen gaan. Want zolang de lener afbetaalt kan de kredietverstrekker doen alsof er niets aan de hand is.

Dit geeft in essentie de situatie weer waarin de wereldeconomie zich de laatste jaren bevindt. Na jaren, zelfs decennia, met een rentevoet die de economische groei voorbijschiet, en zonder compensatie via een toename van ingebrekestellingen, kijken we nu aan tegen een enorme schuldenlast. De regering heeft op verzoek van de financiële sector (kredietverleners, oftewel de eigenaren van het geld) haar best gedaan om ingebrekestellingen te voorkomen en op papier de schulden niet te devalueren, in de hoop dat hernieuwde economische groei hen zou toestaan hun diensten voort te zetten.(3) “We zullen uit de schulden groeien”, hopen ze.

Op politiek niveau bestaat eenzelfde druk om economische groei te scheppen als op het niveau van individuen en bedrijven. De schuldenaar staat onder druk om iets te verkopen, al is het maar zijn arbeid, om aan geld te komen waarmee schuld kan worden afbetaald. Ook dat is in essentie wat ‘groei-vriendelijk beleid inhoudt: ze maakt ‘iets verkopen’ makkelijker, of beter, ze vergemakkelijkt het omzetten van natuurlijk, sociaal en ander kapitaal naar geld. Wanneer we de controle op vervuiling losser laten, vergemakkelijken we het omzetten van ecosystemen in geld. Wanneer het Internationaal Monetair Fonds (IMF) regeringen onder druk zet om sociale voorzieningen te privatiseren en in de uitgaven te snoeien, forceert ze de omzetting van sociaal kapitaal in geld.

Dat is waarom in Amerika de democraten en de republikeinen even fanatiek zijn in het openen van ‘nieuwe markten’, en om ‘intellectuele eigendomsrechten’ te handhaven, enzovoort. Dat is ook waarom gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen die nu nog onbeschikbaar zijn voor exploitatie, zoals olie in beschermde wildreservaten in Alaska, lokale voedselmarkten beschermd door vaste tarieven, of natuurparken in Afrika, constant de druk van politici, corporaties of stropers moeten weerstaan. Wanneer het rijk van geld ophoudt met groeien, dan wordt de middenpositie tussen ingebrekestelling en polarisatie rijkdom, komt er sociale onrust en breekt er uiteindelijk revolutie uit. Zonder groei nemen schulden, in een eindige wereld, exponentieel toe.

Wanneer dit soort groei, dit omzetten van gemeenschappelijke rijkdommen in geld, sneller stijgt dan de rentevoet, is er niets aan de hand (tenminste gezien vanuit financieel oogpunt, niet vanuit menselijk of ecologisch oogpunt). Als er genoeg vraag naar kippen is en er genoeg natuurlijke bronnen voorhanden zijn om ze te voeden, kunnen de dorpelingen tegen 10 procent lenen om het aantal kippen met 20 procent te doen toenemen. Om het in conventionele taal uit te drukken: de kapitaalinvestering genereert een opbrengst hoger dan de oorspronkelijke kosten en daarom vergaart de kredietverstrekker rijkdom buiten het deel dat naar de schuldenaar vloeit. Zo ging het ten tijde van de eerste kolonisten in Amerika, toen er nog ongekende schatten voor het oprapen lagen. Zo gaat het nog steeds in een samenleving waar nog lang niet alle sociale verhoudingen in geld worden uitgedrukt –iets wat in de financiële wereld dan ook als een niet-ontwikkelde en dus ‘potentiële markt’ wordt gezien. Alleen door economische groei kan iedereen beter worden; de kredietverschaffers worden rijker en rijker, en ook de schuldenaars worden er beter van.

Maar zelfs in goede tijden houdt de groei maar zelden het tempo van de rente bij. Stel je eens voor dat de dorpelingen er in slagen hun kippenpopulatie met slechts 5 procent per jaar te doen stijgen. In plaats dat ze dan maar een deel van deze groei aan de bankiers kunnen geven, moeten ze nu (gemiddeld) alles afgeven plus een deel van hun bestaand bezit/ of toekomstige verdiensten. Een opeenhoping van rijkdom, zowel uit inkomen als bezittingen, is een onontkoombaar voortvloeisel van schulden die sneller groeien dan goederen en diensten.

Economische denkers sinds de tijd van Aristoteles herkenden reeds de essentie van het probleem. Aristoteles vond dat, aangezien geld ‘onvruchtbaar’ is (het genereert geen nageslacht zoals vee of tarwe dat doet), het niet billijk is om geld tegen rente uit te lenen. Het ontstaan van geconcentreerde rijkdom zien we al zeer geregeld vanaf 350 vóór onze jaartelling, en daarna wordt het een steeds vaker terugkerend fenomeen. Ook in de Romeinse tijd zien we dit gebeuren. Zolang het keizerrijk zich snel uitbreidde, en het nieuw land en nieuwe accijnzen verwierf, ging alles redelijk goed en was er geen sprake van geconcentreerde rijkdom. Pas toen de groei van het keizerrijk stagneerde, nam de concentratie van rijkdom toe en ging de ooit massale klasse van kleine boeren, de ruggengraat van het Romeinse leger, onder schulden gebukt. Niet lang hierna veranderde het keizerrijk in een slaveneconomie.

Ik hoef de paralellen tussen het oude Rome en de wereld van vandaag niet extra te accentueren. Gezien de vertraagde groei verkeren zowel individuen als naties steeds meer in een slaveneconomie, vergelijkbaar met die van het oude Rome. Een toenemend deel van het inkomen gaat op aan afbetaling van schulden, en als dat niet voldoet dienen bestaande bezittingen eerst als onderpand om vervolgens te worden gevorderd, totdat er niets meer overblijft. Daardoor is de overwaarde van huizen in de VS zonder onderbreking blijven dalen gedurende een halve eeuw, van 85 procent in 1950 tot ongeveer 40 procent vandaag (inclusief éénderde van de huizenbezitters van wie het huis aflossingsvrij is). Met andere woorden: mensen bezitten hun eigen huizen niet meer. De meeste mensen die ik ken bezitten niet eens hun eigen auto’s meer maar ‘huren’ die in feite van banken via autofinancieringen. Zelfs ondernemingen gaan gebukt onder een niet eerder vertoonde graad van exploitatie, waardoor een groot deel van de inkomsten naar banken en obligatiehouders afvloeit. Hetzelfde geldt voor de meeste naties, met hun steeds groter wordende schuld-versus-BBP verhoudingen. We worden in toenemende mate op elk niveau slaven van schulden, en de vruchten van onze arbeid verdwijnen in de zakken van de kredietverstrekkers.

Zelfs wanneer je geen schulden hebt, betaal je nog mee via bijna alles wat er te koop is, zozeer drukt de rente op de prijzen. Zo wordt bijvoorbeeld bijna 10 procent van de Amerikaanse overheidsuitgaven (en belastingen) besteed aan rente op de nationale schuld. Als je een woning huurt, gaat het leeuwendeel van de huur op aan de kosten die je huisbaas heeft voor het aflossen van de hypotheek. De prijs van een maaltijd in een restaurant weerspiegelt gedeeltelijk de kosten die de restauranthouder berekent. Daarnaast zit er ook in de kosten van het elektriciteitsverbruik, de voedselvoorziening en de huur rente op kapitaal doorberekend en dat gaat zo verder, over de gehele linie. Al dit geld is een soort accijns, een belasting op alles wat we kopen, en gaat naar de geldbezitters.

Rente bestaat uit ongeveer zes componenten: een risicopremie, de kosten om een lening af te sluiten, een inflatierisicopremie, een liquiditeitspremie, een premie voor de duur van de rente en een risicovrije rentepremie. (4) Een diepergaande discussie over de gevolgen van rente zou onderscheid kunnen maken tussen al deze componenten, en tot de conclusie kunnen komen dat alleen de laatste drie -en vooral de allerlaatste- bijdragen aan woekeren. Zonder die drie zou er geen sprake zijn van geconcentreerde rijkdom, want dat deel van het geld blijft dan niet in handen van de kredietverstrekkers. (De druk om te blijven groeien zou niettemin blijven bestaan.) Desalniettemin dragen alle zes componenten in ons huidige systeem bij aan de geldende rentevoeten. Dat betekent dat rijken steeds meer rijkdom kunnen vergaren, iets wat simpelweg gerechtvaardigd wordt door het bezit van geld. Behalve wanneer leners hun rijkdom net zo snel kunnen laten toenemen -en dat is alleen mogelijk in een groeiende economie- blijft rijkdom alleen geconcentreerd rondom kredietverstrekkers.

Laat me het nog eens simpel uitleggen: een deel van de rentevoet stelt, “Ik heb geld en jij hebt het nodig, dus om er toegang tot te krijgen ga ik je daar iets voor rekenen –omdat ik het kan, én omdat ik het heb en jij niet.” Om polarisatie van rijkdom te voorkomen moet dat ‘iets’ minder zijn dan de snelheid waarmee de economie groeit, want anders staat louter bezit van geld iemand toe sneller rijkdom te vergaren dan de gemiddelde doeltreffendheid van investeringen in productiemiddelen. Met andere woorden: je wordt rijker met geld bezitten dan door te produceren. In de praktijk is dit bijna altijd zo, want de overheid drijft de rentevoet op wanneer de economische groei versnelt. De grondgedachte is om inflatie te voorkomen maar het is ook een instrument om de rijkdom en macht van degenen die het geld bezitten te blijven vergroten. (5) Wanneer je herverdelende maatregelen achterwege laat, neemt de concentratie van rijkdom toe, zowel in goede als in slechte tijden.

Als algemene stelregel geldt dat hoe meer geld je hebt, des te minder noodzaak er is om het uit te geven. Al sinds de tijd van de oude Grieken hebben mensen daarom wat Keynes ‘liquidity preference’ noemt, een voorkeur voor geld in plaats van goederen, behalve wanneer die dringend nodig zijn. Deze voorkeur is onvermijdelijk wanneer geld een universeel doel en middel wordt. Rente versterkt de voorkeur voor geld, en moedigt iedereen met geld aan om het bij zich te houden. Zij die geld nodig hebben moeten betalen aan hen die het al hebben, voor het gebruik ervan. De betaling -de rente op de lening- moet komen van toekomstige verdiensten. Dit is een andere wijze om te verhelderen hoe door rente geld van arm naar rijk wordt geheveld.

Men zou rentebetalingen best kunnen rechtvaardigen in het geval van langdurige, zwak liquide en riskante investeringen want zo’n rente vormt dan meer een compensatie voor de derving van liquiditeit. Het is in overeenstemming met de uitgangspunten van schenken, dat wil zeggen: dat wanneer je een gift geeft, je er vaak een grotere voor terug krijgt (maar niet altijd en nooit gegarandeerd, oftewel: risico). Maar in het huidige systeem dragen zelfs door de overheid verzekerde opvraagbare deposito’s en korte-termijn, risicoloze staatsobligaties rente, die ‘investeerders’ toestaan winsten te maken, terwijl ze in essentie gewoon het geld voor zichzelf houden. De risicoloze component is toegevoegd als een verborgen premie op alle andere leningen, daarmee zorgend dat zij die bezitten, meer en meer bezitten zullen. (6)

De dubbele druk die ik beschreef met betrekking tot de wereld van het geld, en met betrekking tot de polarisatie van rijkdom, vormen twee aspecten van dezelfde macht. Óf het geld groeit door verslinding van nog niet tot geld omgevormde gebieden, óf het begint zichzelf te kannibaliseren. Wanneer het eerstgenoemde uitgeput raakt, neemt de druk van laatstgenoemde toe, en escaleert de concentratie van rijkdom. Wanneer dát gebeurt, treedt een andere kracht in werking: de herverdeling van rijkdom. Want wel beschouwd zijn niet- aflatende polarisatie van rijkdom en ellende gewoon onhoudbaar.

De herverdeling van rijkdom en klassenstrijd

Zonder de herverdeling van rijkdom wordt sociale chaos onvermijdelijk in een rentedragend, op schuld gefundeerd monetair systeem, zeker wanneer de groei stagneert. Herverdeling van rijkdom vindt desondanks altijd plaats onder enorme tegenstand van de rijken, want het is hun rijkdom die herverdeeld wordt. Economisch beleid lijkt daarom een evenwichtsoefening tussen herverdeling en handhaving van rijkdom en neigt na verloop van tijd naar een zo miniem mogelijke herverdeling, benodigd om de sociale orde te handhaven.

Traditiegetrouw proberen links-liberale regeringen de scheefgroei van rijkdom recht te zetten met herverdelend beleid in de vorm van hogere inkomensbelastingen, vastgoedbelasting, sociale bijstandsprogramma’s, hoger minimum loon, brede gezondheidszorg, gratis hoger onderwijs en andere sociale maatregelen. Deze beleidsmaatregelen zijn herverdelend want terwijl belastingen onevenredig sterk op de rijken drukken, komen de uitgaven en sociale maatregelen iedereen ten goede of bevoordelen ze zelfs de armen. Ze werken de natuurlijke tendens tot geconcentreerde rijkdom tegen die eigen is aan een op rente gebaseerd systeem. Ze staan ook haaks op de belangen van de rijken -tenminste op de korte termijn- en dat is waarom zulke beleidsmaatregelen in het huidig conservatieve politieke klimaat met de term klassenstrijd worden aangeduid.

Gekant tegen deze herverdelende beleidsmaatregelen, beschouwen conservatieve regeringen de concentratie van rijkdom blijkbaar als iets positiefs. Zo zou jij dat ook zien, wanneer je rijk zou zijn, want geconcentreerde rijkdom betekent dan méér voor jou, en minder voor anderen. Arbeidskrachten zijn dan goedkoper. Jouw relatieve welvaart, macht en privileges groter. (7) Regeringen die de (korte termijn) belangen van de rijken dienen, propageren daarom het tegenovergestelde van de eerder genoemde herverdelende beleidsmaatregelen: iedereen hetzelfde percentage inkomstenbelastingen laten betalen, een vermindering van vastgoedbelasting, snoeien in sociale programma’s, geprivatiseerde ziekenzorg, enzovoorts.

In de dertiger jaren van de vorige eeuw stonden de VS en veel andere landen voor de keus: oftewel de rijkdom geleidelijk herverdelen via sociale uitgaven en de rijken belasten, oftewel de concentratie van rijkdom laten voortgaan tot het punt van revolutie en gewelddadige herverdeling. Tegen de jaren vijftig hadden de meeste landen het sociale compromis, besloten in de ‘New Deal’, overgenomen: de rijken bleven de baas maar moesten toegeven via een belasting op kapitaalwinsten. Het compromis hield een tijdlang stand, tenminste, zolang er maar grote groei was, tot het begin van de jaren zeventig.

Niettemin bevat zelfs dit zachtaardig compromis meerdere ongewenste consequenties. Hogere inkomstenbelastingen raken wel mensen die veel verdienen, maar niet degenen die al veel bezitten. Bovendien ontstaat hierdoor een niet-aflatende strijd tussen belastingautoriteiten en burgers, die gewoonlijk manieren vinden om onder tenminste een deel van de belastingen uit te komen, en in het proces tienduizenden juristen en accountants tewerk stellen. Is dit nu een goed gebruik van ons menselijk potentieel? Bovendien is dit een systeem waarbij we met één hand aan de rijken geven, en het met de andere weer terugpakken.

In een op rente gebaseerd systeem is klassenstrijd onafwendbaar, hetzij in een gesmoorde, hetzij in expliciete vorm. De korte-termijn belangen van de bezittende klasse staan immers lijnrecht tegenover de belangen van de klasse die geld schuldig is. Op het moment van dit schrijven is de balans naar de rijken doorgeslagen en hebben hun vertegenwoordigers het mozaïek van herverdelende, sociale maatregelen die sinds de jaren dertig in de meeste Westerse landen bijeen verzameld waren, weer ontmanteld. Een tijdlang, in het tijdperk volgend op de Tweede Wereldoorlog, verborg een sterke economische groei de onafwendbaarheid van klassenstrijd, maar dat tijdperk is nu over. Totdat het monetaire systeem daadwerkelijk fundamentele veranderingen ondergaat, moeten we in komende jaren rekening houden met een verheviging van de klassenstrijd. Dit boek probeert de grondbeginselen te veranderen en de basis voor klassenstrijd in zijn geheel weg te nemen.

Terwijl het sociale pact uit de dertiger jaren afbrokkelt en de hoogte van de schulden een crisispeil bereikt, zullen meer radicale maatregelen mogelijk noodzakelijk blijken. In vroegere tijden beantwoordden bepaalde samenlevingen geconcentreerde rijkdom met een periodieke kwijtschelding van schulden. Als voorbeelden noemen we de Seisachtheia, een maatregel van Solon, waarmee schulden werden kwijtgescholden en schuldslavernij werd afgeschaft, en wat letterlijk de afschudding van de schulden betekent, alsook de jubilea bij de oude Hebreeën. “Elk zevende jaar moet u kwijtschelding verlenen. Dat houdt het volgende in: elke schuldeiser moet iedereen die iets van hem leende zijn schuld kwijtschelden; hij mag zijn broeder of zijn buurman niet tot afbetaling dwingen want de kwijtschelding gebeurt in de naam van de Heer” (Deuteronomium 15:1-2). Deze beide voorbeelden waren veel radicaler dan het bankroet want de schuldenaar behield zijn eigendommen en onderpand. Onder Solon werden zelfs landerijen teruggegeven aan hun oorspronkelijke bewoners.

Een meer recent voorbeeld van nietigverklaring was de gedeeltelijke kwijtschelding van buitenlandse schulden aan verarmde en door rampen getroffen naties. In 2008 annuleerden het IMF, de Wereldbank en Inter-American Development Bank bijvoorbeeld de buitenlandse schulden van Haïti. Een brede beweging roept al enkele decennia om de algehele kwijtschelding van schulden van de Derde Wereld, maar wist tot dusver niet veel steun te winnen.

Een verwante vorm van herverdeling is een faillissement, in welke de schuldenaar verlost wordt van zijn schuld, meestal na verbeurdverklaring van de meeste van zijn eigendommen aan de schuldeisers. Het is desalniettemin slechts een nominale overdracht van schuldenaar naar schuldeiser, daar de waarde van het bezit minder is dan de hoogte van de schuld. De laatste tijd is het in de Verenigde Staten stukken moeilijker geworden om op persoonlijke titel failliet te worden verklaard, aangezien de wetten (herschreven op verzoek van kredietkaart-verstrekkers) de schuldenaars nu in afbetalingsregelingen dwingen, waarbij deze tot ver in de toekomst een deel van hun inkomen moeten afdragen. (8) Schulden worden in toenemende mate onafwendbaar, doen een levenslang beroep op de arbeid van een schuldenaar, die daardoor in een soort schuldslavernij vervalt. In tegenstelling tot de Seisachtheia en het Hebreeuwse Jubileum, worden bij een faillissement de bezittingen overgedragen aan de schuldeiser die daardoor zowel het fysieke als financiële kapitaal onder zijn hoede heeft. De voormalige schuldenaar kan dan weinig anders dan zich opnieuw in de schulden steken. Faillissementen vormen slechts een drempeltje op weg naar de concentratie van rijkdom.

Extremer is het regelrecht weigeren een schuld in te lossen of een onderpand aan de schuldeiser te geven. Gewoonlijk kan de schuldeiser hem dan uiteraard aanklagen en de macht van de overheid gebruiken om het bezit van de schuldenaar te vorderen. Alléén wanneer het rechtsbestel en de legitimiteit van de staat beginnen af te brokkelen, wordt individuele weigering om te betalen mogelijk. (9) Een dergelijke afbrokkeling toont geld en bezit als de sociale conventies die ze zijn. Ontdaan van alle conventies omtrent de interpretatie van symbolen, is Warren Buffet niet rijker als ik ben, behalve dat misschien zijn huis groter is. Zelfs dat het aan hem toebehoort dankzij een document, is een kwestie van afspraken.

Op het moment van dit schrijven is weigering om schuld in te lossen geen echte optie voor gewone burgers. Voor soevereine staten blijken echter geheel andere regels te gelden. In theorie kunnen landen met een veerkrachtige binnenlandse economie en voorraden om met hun buurlanden te verhandelen, vrij eenvoudig weigeren om hun staatsschuld te betalen. In de praktijk gebeurt dat echter zelden. Leiders, zowel democratisch gekozen als anders, gaan gewoonlijk een verbond aan met het globaal financieel establishment en worden daar rijkelijk voor beloond. Wanneer ze zich ertegen verzetten, lopen ze tegen allerlei vormen van vijandigheid aan. De pers keert zich tegen hen; de aandelenmarkten keren zich tegen hen; ze worden ‘onverantwoordelijk’, ‘links’ of ‘ondemocratisch’ genoemd; hun politieke oppositie ontvangt steun van de heersende wereldmachten; ze worden mogelijk zelfs het slachtoffer van een couppoging of invasie. Elke regering die zich weert tegen de omvorming van zijn sociaal en natuurlijk kapitaal tot geld, wordt onder druk gezet en gestraft. Dat zagen we in Haïti toen president Aristide weigerde neoliberale beleidsmaatregelen in te voeren en hij tijdens een coup werd afgezet in 1991 en ook weer in 2004; we zagen het in Honduras in 2009; we zagen het overal ter wereld, honderden en honderden malen. (het mislukte in Cuba en meer recent ook in Venezuela, dat dusver een invasie ontliep.) Nog recenter, in oktober 2010, mislukte ook een coup in Ecuador -Ecuador, het land dat weigerde 3.9 miljard dollar terug te betalen en het naderhand herstructureerde tot 35 cent per dollar. Zulks is het lot van elk land dat zich afzet tegen het schuldensysteem.

Ex-econoom John Perkins beschrijft de gangbare strategie in Confessions of an Economic Hit Man: eerst smeergeld voor de leiders, dan dreigementen, dan een staatsgreep, en dan, wanneer al het andere niet werkt, een invasie. De bedoeling is het land een lening met afbetalingen te doen accepteren, waardoor het in de schulden raakt en blijft. Zowel voor individuen als voor landen geldt dat een schuld vaak begint met een megaproject -een vliegveld of wegstelsel of wolkenkrabber, een verbouwing of dure opleiding- , iets waar veel toekomstig heil van verwacht wordt, maar in feite leidt tot verrijking van anderen en de schuldenval doet dichtklappen. In vroegere tijden waren militair vertoon en afgedwongen accijns de instrumenten van het Rijk; tegenwoordig is dat schuld. Schulden dwingen naties en individuen hun productiviteit aan geld te wijden. Het individu zet zijn dromen opzij en heeft een baan om zijn schulden te kunnen betalen. Naties vormen kleinschalige landbouw en lokale zelfredzaamheid, die geen buitenlandse handel genereren, om tot exportproductie en sweatshop-omstandigheden, want die doen dat wel. (10) Haïti zit al in de schulden sinds 1825, toen het gedwongen werd Frankrijk te compenseren voor bezit (slaven), verloren tijdens de slavenopstand van 1804. Wanneer zal het die schuld hebben afgelost? Nooit. (11) Wanneer zal ook maar één van de Derde Wereldlanden ooit zijn schuld afbetalen en zijn productiviteit wijden aan zijn eigen mensen? Nooit. Wanneer zal het merendeel van jullie ooit zijn studieleningen, kredietkaarten of hypotheken hebben afgelost? Nooit.

Desalniettemin, zou zowel op soeverein als op persoonlijk niveau, de tijd van schuldweigering wel eens naderbij kunnen zijn dan we denken. Er worden steeds meer vraagtekens gezet bij de legitimiteit van de status-quo, en zodra een enkeling weigert zijn schuld te betalen, volgen er al snel meer. Er bestaat zelfs een gegronde legale basis voor schuldweigering: het principe van onrechtmatige schulden, welke bepaalt dat frauduleus verworven schulden ongeldig zijn. Naties kunnen schulden weigeren te betalen, gemaakt door dictators die samenspanden met geldschieters om zichzelf en hun medestanders te verrijken en om megalomane projecten zonder nut voor de bevolking mee te financieren. Individuen kunnen persoonlijke leningen of hypotheken aanvechten die hen via misleidende leenpraktijken werden aangepraat. Mogelijk zal de tijd snel daar zijn dat we onze lasten kunnen afschudden.

Inflatie

Inflatie biedt een laatste manier om tot herverdeling van rijkdommen te komen. Op het eerste gezicht lijkt inflatie een heimelijke, gedeeltelijke vorm van schuldkwijtschelding, want het staat toe dat schulden worden afbetaald in geld dat minder waard is geworden dan het was ten tijde van de oorspronkelijke lening. Het is een egaliserende kracht die de waarde van zowel geld als schuld na verloop van tijd vermindert.

Maar de dingen zijn niet zo simpel als ze lijken. Zo wordt inflatie meestal vergezeld door een stijgende rente, zowel door de financiële autoriteiten opgelegd om inflatie tegen te gaan, als als gevolg van het gegeven dat potentiële geldschieters hun geld liever investeren in waardevaste grondstoffen en goederen dan dat ze hun geld uitlenen tegen rentes onder inflatiepeil. (12)

De algemene economieleer zegt dat inflatie een resultaat is van een stijgende geldhoeveelheid, zonder een evenredige stijging van goederen en diensten. Hoe laat men de geldhoeveelheid dan toenemen? In de periode 2008-2009 bracht de Federal Reserve de rentevoet terug tot bijna-nulpunt en vergrootte de monetaire basis substantieel, zonder daardoor een ingrijpende inflatie te veroorzaken. Dat kwam omdat banken niet méér geld uitleenden, hetgeen geld in de handen van mensen en bedrijven zou doen belanden en waardoor het terug in de economie zou worden gepompt. In plaats dáárvan werd al het nieuwe geld opgepot als extra banktegoeden of uitgesmeerd over aandelenmarkten; vandaar de stijging van de aandelenkoersen tussen maart tot augustus 2009. (13)

Gezien de afwezigheid van kredietwaardige leners en economische groei, is het niet verwonderlijk dat lage rentevoeten maar weinig hebben bijgedragen tot het uitlenen van geld. Zelfs als de ‘Fed’ alle beschikbare schatkistobligaties op de markt zou kopen, en daardoor de monetaire basis met tien zou vermenigvuldigen, zou daar mogelijk nog steeds geen inflatie door ontstaan. Om inflatie te hebben, moet geld in handen zijn van mensen die het uitgeven. Is geld dat door niemand wordt uitgegeven nog wel geld? Is geld dat door een vrek wordt begraven en wordt vergeten, nog steeds geld? (14) Onze Newtoniaans-Cartesiaanse intuïties tonen ons geld als een ding; in feite echter is het een intermenselijke verhouding. Wanneer het slechts geconcentreerd in enkele handen blijft, vervaagt die verbinding en zijn we minder verbonden met de dingen die het leven ondersteunen en verrijken.

De reddingsoperaties van de ‘Fed’ bestonden voornamelijk uit het geven van geld aan de banken, en daar is het sindsdien gebleven. Om in tijden van economische recessie geld in handen van mensen te krijgen die het uitgeven, is het noodzakelijk het proces van private kredietcreatie te omzeilen dat zegt: “u zult toegang tot geld krijgen indien u er meer van produceert.” De meest voor de hand liggende methode om dat voor elkaar te krijgen is via fiscale stimuli, oftewel door overheidsuitgaven. Zulke uitgaven veroorzaken in potentie inderdaad inflatie. Waarom is inflatie slecht? Niemand ziet graag stijgende prijzen; maar als de inkomens net zo snel meestijgen, wat is dan het probleem? Het is alleen nadelig voor mensen die spaargeld hebben; zij die schulden hebben, profiteren er zelfs van. Wat de gewone mensen beangstigt is een prijsinflatie zonder looninflatie. Wanneer zowel prijzen als lonen stijgen, is inflatie in wezen een belasting op slapend geld, een manier om rijkdom te herverdelen, weg van de rijken, en daarmee een manier om de effecten van rente tegen te gaan. (15) We komen later nog terug op dit voordelig aspect van inflatie wanneer we negatieve-rentesystemen bekijken.

De standaard theorie gaat ervan uit dat de overheid inflatoire uitgaven kan bekostigen door het opleggen van belastingen of door het laten oplopen van een begrotingstekort. Waarom zouden met belastinggeld gefinancierde uitgaven tot inflatie leiden? Het is eigenlijk gewoon maar een kwestie van geld wegnemen bij sommigen, om het aan anderen te geven. Dat leidt pas tot inflatie wanneer het van rijken wordt afgenomen om aan de armen te geven -degenen die het snel zullen uitgeven. Op gelijksoortige wijze wordt een begrotingstekort pas inflatoir wanneer het geld naar hen stroomt die het uitgeven en niet, bijvoorbeeld, naar grote banken. In beide gevallen is inflatie meer een gevolg of symptoom van de herverdeling van rijkdom, dan een manier om het te bereiken. (16)

Inflatie kan derhalve niet los worden gezien van de meer basale vormen van herverdeling van rijkdom. Het is geen toeval dat politiek conservatieven, van oudsher beschermers van de rijken, de meest fervente tegenstanders van begrotingstekorten zijn. Zij verzetten zich tegen overheidsuitgaven over de begroting heen, waarmee gebruikelijk geld in handen van zij die geld schuldig zijn belandt, en niet in handen van zij die bezitten. Wanneer ze daar niet in slagen, ijveren ze voor bezuinigingen, de verhoging van de rente en betaling van overheidsschulden, hetgeen in essentie herverdeling van rijkdom in omgekeerde richting is. Zich beroepend op het spookbeeld van inflatie xx argumenteren deze lieden, zélfs wanneer er geen daadwerkelijke aanwijzingen voor inflatie te bekennen zijn

In principe kan elke regering met een eigen munt onbeperkte hoeveelheden geld creëren zonder daarvoor belasting te heffen, eenvoudig door geld te drukken of door de centrale bank te dwingen nulcouponobligaties uit te geven. Natuurlijk, lonen zouden aan inflatie onderhevig zijn en prijzen zouden stijgen, en de relatieve waarde van opgeslagen rijkdom zou inzakken. Dat regeringen daarentegen het mechanisme van rentedragende obligaties verkiezen is een belangrijke indicatie voor de aard van ons monetair systeem. Hier, in het soevereine machtcentrum van de regering, wordt eer aan de bezitters van geld betoond.

Waarom zou een overheid rente aan de rijken betalen voor het soevereine privilege om geld uit te geven? Al van oudsher werd het uitgeven van munten bekeken als een heilige of politieke functie waarmee een positie van sociale macht werd bekrachtigd. Het is helder in welke handen die macht vandaag berust. “Laat mij uitgifte en controle over het geld van een land hebben, en het boeit me niet wie er de wet uitmaakt,” zei Mayer Rothschild. Vandaag dient geld persoonlijke rijkdom. Dat is dan ook de essentie van woeker. Toch loopt het tijdperk van woeker op zijn eind en zal geld weldra een andere meester dienen.

Meer voor jou is minder voor mij

De systemische oorzaken van hebzucht, wedijver, en bezorgdheid die vandaag de dag zo duidelijk aanwezig zijn, staan in schril contrast tot sommige New Age-theorieën die ik regelmatig tegenkom -dat “geld slechts een vorm van energie is”, dat “iedereen geld in overvloed kan hebben, wanneer je je maar eenvoudig de geest van overvloed eigen maakt.” Wanneer New Age-leraren ons opdragen om “onze beperkte opvattingen omtrent geld te laten varen,” om “de mentaliteit van schaarste af te werpen”, om “de golf van overvloed te openen”, of door rijk te worden via de kracht van positief denken, negeren ze een belangrijke kwestie. Hun ideeën komen uit de juiste bron: de realisatie dat de schaarsheid van onze wereld een artefactnvan onze gezamenlijke overtuigingen is, en niet de fundamentele werkelijkheid; desondanks zijn ze inherent in strijd met het monetair systeem dat we vandaag hebben. Hierbij een goed geformuleerd voorbeeld van deze wijze van denken, uit ‘The Soul of Money’, van Lynn Twist:

Geld zelf is slecht noch goed, het bezit geen macht van zichzelf. Het is onze eigen interpretatie van geld, onze inter-actie ermee, die de ellende veroorzaakt en waarin we de werkelijke mogelijkheid voor zelfontdekking en persoonlijke verandering vinden. (17)

Lynn Twist is een visionaire filantroop die velen van ons inspireerde om geld voor goede doelen te gebruiken. Maar kun je je voorstellen hoe deze woorden klinken in de oren van iemand die totaal berooid is? Ik herinner me, toen ikzelf blut was, een aantal jaren terug, hoe geïrriteerd ik was door goedbedoelende spirituele vrienden die me vertelden dat mijn probleem een ‘schaarste-mentaliteit’ was. Wanneer de economie van een heel land als Letland of Griekenland ineenstort en miljoenen failliet gaan, moeten we dat dan allemaal aan hun houding wijten? En wat te denken van arme en hongerige kinderen -hebben die ook last van een schaarste-mentaliteit?

Verderop in het boek beschrijft Twist de giftige schaarste-mentaliteit als volgt:

Het is als een stoelendans, met één stoel minder dan er

meespelende mensen zijn. Je aandacht is gericht op niet

verliezen en niet degene te zijn die op het laatst in het

gedrang zonder stoel overblijft.” (18)

Maar zoals ik al beschreef, is het monetair systeem te vergelijken met een stoelendans, een dolle rondedans in welke sommige stoelen noodzakelijkerwijs werden weggelaten. Op een dieper niveau heeft Twist overigens gelijk. Gelijk in zoverre dat het monetair systeem een uitvloeisel is van onze schaarste-mentaliteit, een mentaliteit die zelf weer stoelt op een diepere basis: die van de fundamentele mythes en ideologieën die ik het verhaal van het ‘ik’ en het verhaal van de wereld noem. Maar we kunnen niet simpelweg ons gedrag met betrekking tot geld veranderen; we moeten ook geld zelf, welke de belichaming van onze gedragingen is, veranderen. Uiteindelijk is werk aan het ’ik’ niet te scheiden van werk aan de wereld. Het één is een spiegelbeeld van de ander; het één is een vehikel voor de ander. Wanneer we onszelf veranderen, veranderen ook onze waarden en handelingen. Wanneer we werk voor de wereld verzetten, duiken er bijbehorende problemen op die we het hoofd moeten bieden, anders schiet het zijn doel voorbij. Daarom zijn we ons bewust van een spirituele dimensie in de crisis van onze planeet, en roepen we op tot wat Andrew Harvey ‘Sacraal Activisme’ noemt.

Ons huidige monetair systeem is een uiting van de schaarste-mentaliteit die onze beschaving sinds eeuwen domineert. Wanneer díe mentaliteit verandert, verandert dat systeem en zal een nieuw bewustzijn belichamen. In ons tegenwoordig monetair systeem is het rekenkundig gezien onmogelijk voor meer dan een minderheid van de mensen om in overvloed te leven, want het proces om geld te creëren houdt een systematische schaarste in stand. De één zijn voorspoed betekent armoe voor de ander.

Één van de grondbeginselen van het ‘jezelf welvarend denken’ is het laten varen van schuldgevoelens die voortkomen uit de overtuiging dat uitsluitend rijk kunt zijn wanneer iemand anders arm is, dat méér voor mij, minder voor jou betekent. Het probleem van ons huidig monetair systeem is echter dat dit waar is. Méér voor mij betekent minder voor jou. Het rijk van het geld groeit ten koste van de natuur, cultuur, gezondheid en geestesgesteldheid. Ons schuldgevoel omtrent geld is wel degelijk gerechtvaardigd. Zeker, we zijn in staat mooie dingen, eerzame organisaties, en goede doelen door geld te scheppen, maar wanneer we er via die zaken geld mee proberen te verdienen, beroven we in een bepaald opzicht de één om de ander te betalen.

Begrijp alsjeblieft dat ik je hiermee niet probeer af te houden om je voor overvloed open te stellen. Integendeel, want wanneer genoeg mensen dat doen, zal het monetair systeem veranderen om zich aan het nieuwe inzicht aan te passen. Het monetair systeem van vandaag rust op een fundament van afgescheidenheid. Het is zowel een gevolg als een oorzaak van onze perceptie dat we op zichzelf-staande en afgescheiden onderdanen van een universum zijn, dat zelf ook weer anders is als wijzelf. Onszelf openstellen voor overvloed kan alleen plaatsvinden wanneer we die perceptie loslaten en wanneer we ons overgeven aan de rijkdom van onze werkelijke verbondenheid. Deze nieuwe identiteit is wars van woeker:

Hier een extreem voorbeeld dat het gebrek van ‘het jezelf welvarend denken’ illustreert, en daarmee indirect ook het tegenwoordige monetaire systeem: Een paar jaar geleden loodste een vrouw me binnen bij een zeer speciale organisatie waar zij bij aangesloten was, genaamd ‘Gifting’. Hoe het werkte was als volgt: om te beginnen ‘schenk’ je $10.000 aan degene die jou heeft uitgenodigd. Daarna moet je vier mensen vinden die aan jou elk eveneens $10.000 schenken, en vervolgens gaan ook zij op zoek naar elk vier mensen die hen weer $10.000 schenken. Iedereen eindigt dan met een netto opbrengst van $30.000. De bij het programma behorende lectuur omschreef dit als een uiting van universele overvloed. Al wat hiervoor nodig is, is de juiste ruime instelling. Onnodig te vermelden dat ik meteen deze kans met beide handen gegrepen heb. Nee, flauwekul natuurlijk. Maar ik vroeg die vrouw wel: “neem je eigenlijk niet gewoon het geld af van je vrienden?”

Nee”, antwoordde ze, “want ook zij gaan er op het eind $30.000 aan overhouden, zolang ze maar vast blijven geloven in de beginselen van het schenken.”

Maar zij gaan dat geld aan vrienden verdienen. En uiteindelijk blijft er niemand meer over en zullen de laatst gerekruteerde vrienden elk $10.000 verliezen. Je neemt het in feite van ze af, steelt het, en gebruikt de terminologie van het schenken als middel.”

Het zal je verbazen dat ik nooit meer iets van die vrouw vernomen heb. Haar verontwaardiging en verloochening weerspiegelen die van degenen die voordeel genieten van de geldeconomie als geheel, en die als zodanig structurele overeenkomsten vertoont met haar piramidespel. Om het te begrijpen moet je je voorstellen dat elke $10.000 entreekosten als rentedragende schuld tot stand kwam (hetgeen het in feite ook is). Je moet meer mensen onder je verzamelen, anders verlies je je bezit. De enige manier waarop de mensen ‘op de bodem’ armoede kunnen voorkomen, is door nog meer mensen bij de geldeconomie te betrekken, bijvoorbeeld door kolonisatie –ahum, ik bedoel ‘door het openen van nieuwe markten voor vrijhandelsverkeer’ –en via economische groei: het omvormen van onderlinge betrekkingen, cultuur, natuur, enzovoorts tot geld. Dit vertraagt het onvermijdelijke, en het onvermijdelijke -een aanzwellende polarisatie van rijkdom- toont zijn lelijke tronie, telkens wanneer groei vertraagt. De mensen die zijn achtergebleven met de schulden hebben geen mogelijkheid tot afbetaling: er is niemand over om geld van af te nemen, noch iets dat in nieuw geld kan worden omgezet. Dat, zo zullen we zien, is de wortel van de economische, sociale en ecologische crisis waarmee onze samenleving vandaag wordt geconfronteerd.

Noten

1. Ik heb met opzet zaken als margereserve-vereisten, kapitaalvereisten, enzovoorts weggelaten, zaken die een bank beperken in het geld uitlenen, omdat ze niet direct relevant zijn voor de discussie omtrent rente in dit hoofdstuk.

2. In sommige van de Verenigde Staten zien we ze echter in bedekte vorm weer opduiken en dat mensen gevangen worden gezet wanneer ze nalaten een dagvaarding betreffende niet betaalde schulden na te komen. Zie Martha White, America’s New Debtor Prison.” Daily Finance. 07/15/10.

3. Zelfs nadat blijkt dat deze op schuld gebaseerde activa waardeloos zijn en die schulden nooit zullen worden betaald, blijven autoriteiten hun best doen dit feit te verdoezelen en blijven ze vasthouden aan de nominale waarde.

4. Trouwens, rente bestaat eigenlijk helemaal niet uit ‘componenten’ -dat is een analytisch verzinsel- maar we kunnen wel doen alsof. De meeste autoriteiten zetten slechts drie of vijf componenten op een lijst. Ik ga hier geen definities geven -je kunt ze zelf opzoeken-, met uitzondering van de meest relevante: de risicovrije rentepremie. Die staat gelijk aan het tarief voor kortlopende overheidseffecten van de V.S. (T.Bills), welke vrijwel risicoloos en volledig gedekt zijn. Je zou kunnen zeggen dat ook hier een risico bestaat, maar wanneer dingen zó verlopen dat de autoriteiten van de V.S. niet meer in staat zijn om geld te drukken, is geen enkele vorm van bezit meer veilig.

5. De nieuwe middelen om de rentetarieven boven de groei uit te houden, is de Feds’ nieuwe machtsmiddel om rente op banktegoeden te bieden. Momenteel op bijna nul, plant de Fed een stijging van de tarieven zodra de economie aantrekt (zie bijv., Keister en McAndrews, “ Why are Banks Holding So Many Excess Reserves?”). Dit zal ervoor zorgen dat elke nieuwe rijkdom, voortkomend uit economische groei, het fortuin van banken en obligatiehouders -dezelfden die al profiteerden van de gratis liquiditeitsfaciliteiten van de Fed- doet aangroeien.

6. De situatie verergerde de laatste jaren flink, sinds de categorie risicovrije investeringen werd uitgebreid met allerlei soorten financiële troep die de regering besloot te ondersteunen. Door een solvabiliteitsgarantie voor risiconemende financiële instellingen en de liquiditeit van hun financieel aanbod, heeft de regering op doeltreffende wijze de risicoloze beloningen voor het hebben van geld vergroot en de concentratie van rijkdom helpen versnellen. Het peil van de fondsen van de Fed of die van de T-Bills vormen niet langer de maatstaf voor risicovrije rente. Het moreel risico waarvan sprake is in de context van ‘te groot om om te vallen’-financiële instellingen, is niet uitsluitend een morele kwestie. Zelfs wanneer riskant, is het inzetten op financiële producten met hoge winsten in feite niet echt riskant, want zij die het geld hebben om zoiets te doen vergroten hun rijkdom veel sneller dan -en ten koste van- alle anderen. Moreel risico is een korte weg naar extreme concentratie van rijkdom.

7. Het conservatieve argument dat wanneer je het geld in handen van de rijken laat, er een toename aan investeringen, banen en voorspoed voor iedereen volgt, is alleen waar wanneer het rendement op geïnvesteerd kapitaal de maatgevende rente op risicovrije financiële investeringen voorbijstreeft. Zoals de meedogenloze concentratie van rijkdom bij gebrek aan herverdeling toont, zijn dit soort omstandigheden zeldzaam, en zullen ze nog zeldzamer worden, of zelfs uitsterven, naarmate we de grenzen van de groei naderen.

8. Bovendien kunnen sommige soorten schuld, zoals studentenleningen en fiscale schulden, niet worden kwijtgescholden via een faillissement.

9. Er zijn tekenen voor het begin van een dergelijk afbrokkelen, in de V.S. de ‘hypothekendocumentatie-crisis’ van 2010. Daarbij kwam het web van afspraken die samen een hypotheek vormen, in het geding. Hypotheken waren zodanig opgesplitst, dat het moeilijk werd om te bewijzen wie nu eigenlijk de eigenaar van het bezit was. Het geheel van contracten, wetten, voorschriften en documentatiepraktijken begon af te brokkelen onder het gewicht van zijn eigen complexiteit.

10. Het is geen toeval dat de Wereldbank als beleid alleen toestemming voor landbouwleningen geeft, wanneer die gebruikt worden voor de exportontwikkeling van gewassen. Gewassen die ter plekke worden geconsumeerd, genereren geen buitenlands kapitaal waarmee de leningen kunnen worden onderhouden.

11. Sinds het schrijven van dit hoofdstuk werd de buitenlandse schuld van Haïti kwijtgescholden door een wereld die sympathie toonde voor de benarde toestand van het land ná de aardbeving. Daardoor beschikt het land nu over inkomen en activa waarvoor nog geen verplichtingen werden aangegaan -ideaal als onderpand voor nieuwe schulden.

12. Daarenboven hebben veel leningen tegenwoordig variabele rentevoeten, veelal geïndexeerd op basis van de inflatie (er zijn nu zelfs op inflatie geïndexeerde schatkistcertificaten.)

13. Van juli 2008 tot juli 2009 verdubbelde de monetaire basis, van $838 miljard tot $1.6 biljoen, desondanks steeg M1 met minder dan 20 procent en M2 met minder dan 10 procent. M1 en M2 zijn feitelijk vrij beperkte metingen van de geldhoeveelheid, maar de Fed publiceert niet langer statistieken voor de meer omvattende M3. Sommige externe economen proberen die desondanks zelf op te sporen, zoals John Williams van www.shadowstats.com, die de groei van M3 in dezelfde periode rond 5 procent schat. Sinds het schrijven van dit hoofdstuk (2010) zagen we nog geen tekenen van herstel in de geldtoevoer.

14. Economen proberen dit vraagstuk door middel van ‘de omloopsnelheid van geld’ te verklaren. Zoals de toevoeging al beschrijft, verdwijnt bij nauwkeurig onderzoek het onderscheid tussen geldtoevoer en de omloopsnelheid van geld.

15. Er bestaan nog andere negatieve gevolgen van inflatie, zoals bijvoorbeeld ‘menukosten’ (als gevolg van de noodzaak om steeds prijzen te blijven veranderen), boekhoudkundige problemen, en andere. Erg hoge inflatie -boven de transportkosten van grondstoffen- kan leiden tot hamsteren. Deze overwegingen spelen een rol bij het nadenken over negatieve monetaire rentesystemen.

16. Het enige type inflatie dat niet voortkomt uit de herverdeling van rijkdom, is een gevolg van goederentekorten veroorzaakt door oorlog of embargo. In dit scenario, dat soms tot hyperinflatie leidt, treedt geen egaliserend effect op, want de rijken hamsteren dan simpelweg goederen die inflatiebestendig zijn.

17. Lynn Twist, The Soul of Money: Reclaiming the Wealth of Our Inner Resources. 2006, pag. 19.

18. Ibid., pag.49.

Leave a Reply